Definitie
“één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet” (Art. 9 lid 5 IW 1990, peildatum 2026-01-01)
Het tijdstip dat is gelegen één kalendermaand na de dagtekening van het aanslagbiljet en dat dient als vervaldatum van de eerste invorderingstermijn op grond van art. 9 lid 5 IW 1990
Voorbeelden
| Stelling | Waar? | Toelichting |
|---|---|---|
| Een aanslagbiljet gedagtekend 15 maart 2026 heeft als eerste vervaldatum 15 april 2026. | ja | Één kalendermaand na 15 maart 2026 is 15 april 2026; dit is de vervaldatum van de eerste termijn. |
| Een aanslagbiljet gedagtekend 31 januari 2026 heeft als eerste vervaldatum 31 februari 2026. | nee | Grensgeval: februari telt maximaal 28 of 29 dagen; bij maandberekening geldt in de praktijk de laatste dag van de doelmaand (28 februari 2026); de Algemene termijnenwet is uitgesloten (lid 10) maar de maandberekeningssystematiek voor korte maanden is niet nader geregeld in lid 5 zelf. |
Kenmerken
- De tijdsaanduiding is relatief: zij wordt berekend door één kalendermaand op te tellen bij de dagtekening van het aanslagbiljet.
- Art. 9 lid 10 IW 1990 sluit de Algemene termijnenwet uit, zodat de maandtermijn kalenderstrikt loopt.
- De tijdsaanduiding geldt uitsluitend voor de eerste termijn; de volgende termijnen worden berekend via
telkens-een-maand-later.
Relaties
| Type | Kardinaliteit | Begrip |
|---|---|---|
| heeft | 1:1 | dagtekening-aanslagbiljet |
| leidt tot | — | vervaldag-eerste-termijn |